Openingstijden: 
9 uur tot 19.00 uur

Behandeling volgens afspraak

Telefoon: 030-2615192

Bij SPOED na 19.00 uur en in het weekend: 0900-2223000

 

Vaccineren is een belangrijk onderdeel van de preventieve diergezondheidszorg, net als de bestrijding van vlooien, wormen en andere parasieten.

Ook periodieke gezondheidscontroles horen daar bij, zeker wanneer een hond of kat een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Voorkomen is nog altijd beter dan genezen!

Om een dier te vaccineren moet het helemaal gezond zijn. Voorafgaand aan elke vaccinatie wordt daarom een uitgebreide gezondheidscontrole gedaan door de dierenarts. Er wordt o.a. gekeken naar de ademhaling, het hart, de lymfeknopen, de huid, het gebit, de ogen, de oren, het bewegingsapparaat en de voedingstoestand. Tijdens dit onderzoek kunt u de dierenarts natuurlijk ook uw vragen stellen over de gezondheid van uw dier.

 

Met een vaccinatie wordt gebruik gemaakt van de natuurlijke afweer van uw kat of hond. Een vaccin tegen een bepaalde ziekte zet het lichaam aan om een bescherming (een immuniteit) tegen een ziekte op te bouwen. Een dier dat ziek is (diarree, braken, koorts of wat dan ook) en tegen zijn vaccinatiedatum aanzit, mag nooit in die staat worden gevaccineerd. Daarom is de gezondheidscontrole ook een essentieel onderdeel van de vaccinatie. Wacht eerst tot het dier volledig hersteld is en stel de vaccinatie even uit. Na verloop van enige tijd verzwakt het effect van de vaccinatie en heeft het lichaam van uw dier opnieuw een stimulans nodig om zijn weerstand op peil te houden.

 

Hoe vaak en wanneer deze herhalingen plaats moeten vinden is afhankelijk van de ziekte waartegen men vaccineert. De gedachtegang achter inenten is dat de specifieke afweer tegen bepaalde ziekten erdoor zal toenemen, en op die manier deze ziekten te bestrijden of te voorkomen. Inenten wil zeggen dat je een dier of mens blootstelt aan een micro-organisme dat zo veranderd is, dat het zijn eigenschap om ziek te maken verloren heeft maar de ermee ingeënte mens of dier wel stimuleert tot het ontwikkelen van immuniteit ervoor.

 

Om de volledige populatie dieren van één soort te beschermen hoeven niet alle dieren gevaccineerd te zijn. Vanaf een bepaalde vaccinatiegraad kan een ziekte zich niet gemakkelijk verspreiden in een populatie. Vaccinatie werpt dus een dam op tegen de verspreiding van een ziekte. Met andere woorden: door het vaccineren van uw eigen dier beschermt u naast uw eigen dier ook de dieren van de zelfde soort in de directe omgeving.

 

Het nadeel is wel dat als je onder een bepaald percentage gevaccineerde dieren komt, er weer uitbraken van de ziekte kunnen komen met alle gevolgen van dien. Het afweerapparaat reageert het zelfde op een inenting als op een natuurlijke besmetting: het maakt afweerstoffen tegen de ziekteverwekker, waardoor de hond gedurende een bepaalde tijd beschermd is tegen een volgende contact met die ziekteverwekker.

 

Het verschil is echter dat de natuurlijke besmetting meestal gepaard gaat met ziekteverschijnselen die variëren van mild tot ernstig en soms zelfs fataal. Vooral heel jonge, oude of verzwakte individuen lopen gevaar aan zo’n acute infectieziekte te overlijden. Omdat het vaccin onschadelijk gemaakte en dus niet die ziektesymptomen oproepende micro-organismen bevat, blijven in het geval van inenting ziekteverschijnselen normaal gesproken achterwege.

 

Vaccinatie is dus een heel milde vorm van immunisatie. Vaccineren heeft ertoe geleid dat het sterftecijfer aan acute infectieziektes onder met name jonge dieren en mensen is gedaald. Historisch gezien heeft vaccineren epidemieën een halt toegeroepen door te verhinderen dat besmettelijke ziektes zich op grote schaal konden uitbreiden. Omdat een gevaccineerd dier of mens minder virus uitscheidt dan wanneer hij besmet is met het echte virus, is het risico dat hij andere soortgenoten besmet vele malen kleiner. Door een individu in te enten is zijn omgeving ook beter beschermd. Al met al heeft vaccineren dus het overlevingscijfer van dier en mens vergroot.

kat